100 jaar Maduro's Bank 1916-2016

 


In 1916 werd de Maduro’s Bank opgericht. Het was een lang gekoesterde wens van de handelsfirma S.E.L. Maduro & Sons om een circulatiebank te mogen oprichten. De firma verleende al bankactiviteiten, zoals het verstrekken van leningen en het uitgeven van waardepapieren. In 1901 en nogmaals in 1906 hadden de Maduro’s een verzoek ingediend om een officiële bank op te richten. Dat verzoek werd toen afgewezen. De Nederlandse regering zag liever een Nederlandse kredietverstrekker aan het werk in de kolonie.
Dit alles veranderde in 1916. De Bataafsche Petroleum Maatschappij was al bezig met de voorbereidingen om een raffinaderij te bouwen op Curaçao en op 20 oktober van dat jaar werd de NV Curaçaosche Petroleum Maatschappij, de C.P.M. opgericht.

Met de komst van het oliebedrijf was uitbreiding en modernisering van het bankwezen een noodzaak geworden. Op 22 september 1916 dienden de Maduro’s opnieuw een rekest in met het verzoek een bank te mogen oprichten met emissierecht. Al op 30 september meldde de Amigoe de aanstaande oprichting van de nieuwe bank van de Maduro’s. De gouverneur keurde nu de statuten van de nieuwe Maduro’s Bank meteen goed en liet de instelling haar werkzaamheden met ingang van 1 januari 1917 aanvangen. Ze konden in de bank dezelfde zaken voortzetten die zij al meer dan dertig jaar in hun handelshuis deden. De Maduro’s Bank werd de eerste commerciële bank van de kolonie Curaçao.

Het kapitaal van f 1 miljoen werd voor driekwart gestort door leden van de familie Maduro, firmanten van de firma S.E.L. Maduro & Sons. De overige f. 250.000 werd ingebracht door J.J. Alvares Correa, van het bedrijf Correa Hermanos & Cia. Daarmee werd hij de grootste individuele aandeelhouder. Jojo Correa werd ook met de dagelijkse leiding van de nieuwe bank belast.

Vanaf haar oprichting was de Maduro’s Bank betrokken bij de verschillende ontwikkelingen in de economie van Curaçao. De bank zou gedurende haar bestaan leningen verschaffen aan entrepreneurs die bereid waren het risico te nemen om bedrijven op te richten die voor werkgelegenheid en welvaart op Curaçao konden zorgen.

De enorme groei die de Curaçaose economie doormaakte door de komst van het oliebedrijf was belangrijk voor de groei van de Maduro’s Bank. Ze hadden onderhandeld dat een percentage van alle transacties van het oliebedrijf via hun bank zou verlopen. Werkgelegenheid bij de Shell bereikte in 1929 11.000 arbeidsplaatsen op een totale bevolking van 44.000 en de betaalrol van de raffinaderij steeg tot f. 24 miljoen, ruim vijf keer zoveel als de totale overheidsinkomsten van Curaçao. Dit alles had een diepgaand effect op de economie van het eiland. De economische opleving van de jaren twintig had ertoe geleid dat op 1 juli 1927 nog een commerciële bank, de Curiel’s Bank, haar deuren voor het publiek had geopend. De firma Morris E. Curiel & Sons verrichtte reeds jarenlang financiële activiteiten, in het bijzonder wisseltransacties. Het was dus maar een kleine stap deze onder te brengen in een afzonderlijke instelling.
Het kapitaal van de bank bedroeg f. 500.000. Van het oude handelshuis nam zij voor f. 1,7 miljoen aan deposito’s over. Het ingelegde bedrag was eind 1929 al tot f. 3,7 miljoen gestegen.

Tussen 1931 en 1935 was er als gevolg van de economische wereldcrisis, een recessie in alle sectoren van onze economie: de olieraffinaderij ontsloeg 50% van zijn werknemers, invoer daalde tot 60% en de inkomsten van de overheid van Curaçao verminderde met 20%. In Punda veranderden vele zaken van eigenaars, anderen sloten hun deuren of gingen bankroet. Leningen konden in de crisisjaren moeilijker worden opgevorderd. Om in deze moeilijke tijd financieel sterker te staan besloten de Maduro’s Bank en de Curiel’s Bank een fusie aan te gaan. Per 1 januari 1932 ontstond de nieuwe bank, de Maduro & Curiel’s Bank.
In de Tweede Wereldoorlog werd de Curaçaose gulden losgekoppeld van de Nederlandse gulden. De Curaçaose gulden kreeg een onafhankelijke status. De Curaçaose Muntregeling van 1942 werd op 3 september 1943 van kracht verklaard. Vanaf die dag kon officieel worden gesproken van het Curaçaose muntstelsel.

In de oorlogsjaren liepen de kasgelden bij de Maduro & Curiel’s Bank op van f. 2.6 miljoen in 1940 tot f. 22,4 miljoen in 1944 omdat er toen geen of weinig aantrekkelijke investeringsmogelijkheden bestonden. Bij gebrek aan beleggingsmogelijkheden verlaagde de bank de rente voor haar cliënten en deponeerde uiteindelijk meer dan 20 miljoen renteloos in de kluis van de Curaçaosche Bank.

In de oorlogsjaren nam Venezuela een wet aan die voor de Curaçaose raffinaderij nadelig was. De Curaçaose raffinaderij mocht alleen nog maar Venezolaanse olie verwerken uit de bestaande concessies. Olie uit nieuwe wingebieden mocht niet meer op Curaçao verwerkt worden. Shell was daardoor gedwongen een nieuwe raffinaderij op Paraguaná in Venezuela te bouwen: “El Cardon”. De raffinaderij op Curaçao kon alleen nog maar gemoderniseerd worden, maar kon niet worden uitgebreid.

De raffinaderij begon met reorganiseren en automatiseren. Curaçao begon een beleid toe te passen van “diversifiëring” van de economie. Om minder afhankelijk te zijn van alleen de raffinaderij werd ingezet op hotelbouw en nieuwe industrieën. De MCB-bank heeft hierin actief geparticipeerd met het verstrekken van leningen en startkapitaal voor ondernemers. Voorbeelden zijn: het Curaçao Intercontinental Hotel aan de ingang van de haven in Punda, het Curaçao Hilton en Flamboyant Beach Hotel, Country Inn, San Marco, Holiday Inn en Arthur Former te Parasasa, de Antilliaanse Verffabriek, de Amstel brouwerij, de Antilliaanse Luchtvaart Maatschappij, de Dok Maatschappij, de komst van Texas Instruments.
De werkgelegenheid bij de raffinaderij bereikte in 1952 nog een hoogtepunt van 12.600 man. De gevolgen van de reorganisatie en automatisering werden duidelijk zichtbaar in de periode na 1957 toen het lokale personeelsbestand in het tijdsbestek van 10 jaren daalde van ruim 12.000 tot slechts 4.500 man waarbij de onderaannemers inbegrepen. De totale hoeveelheid inkomsten die de olie-industrie in omloop bracht, daalde overeenkomstig: f. 63,5 miljoen in 1955, dan weer omhoog naar 83 miljoen in 1957 en daarna een jaarlijkse achteruitgang naar minder dan f. 58 miljoen in 1968.

Bij de onlusten van 30 mei 1969 was de MCB-bank niet direct doelwit van de plunderingen geweest. Daags na de revolte van mei 1969 nam Cedric Ritchie, Chief General Manager van de Bank of Nova Scotia (BNS), contact op met het management van de MCB en bood volledige steun aan in het geval de MCB problemen zou ondervinden als gevolg van de revolte. De geste legde de fundering voor een op wederzijds vertrouwen gebaseerde samenwerking. Zestien maanden later, in oktober 1970, werd een associatie gesloten met de Bank of Nova Scotia uit Canada. Tegelijkertijd werd ook een samenwerking aangegaan met de Bank Mees & Hope uit Nederland, waarbij de aandelenverhouding als volgt werd verdeeld: 30% van de aandelen kwam in handen van de Nova Scotia Bank en 10% kwam toe aan Bank Mees & Hope, 60% bleef in eigendom van de originele aandeelhouders. De MCB transformeerde in een hypermoderne internationaal georiënteerde bank met vele innoverende producten en diensten. Tegelijkertijd werd het lokale karakter van de bank juist versterkt. MCB werd een “Banko Amigu”, een bank voor iedereen met veel persoonlijke aandacht.

In 1975 werden de aandelen van de Bank Mees & Hope weer terug gekocht nadat Mees & Hope overgenomen was door een concurrerende Nederlandse bank. De 10% teruggekochte aandelen werden verdeeld onder de bestaande aandeelhouders op zo’n manier dat de verhouding als volgt werd vastgesteld: 51% voor de originele aandeelhouders en 49% voor BNS. Sinds 1975 is het management in handen van drie directeuren, waarvan één door BNS wordt benoemd.

Niet alleen de MCB onderging sinds 1970 een metamorfose, de gehele financiële sector op Curaçao veranderde vanaf het eind van de jaren zestig van een klein, voornamelijk lokaal opererende sector naar een internationale georiënteerde branche waarin buitenlandse banken een steeds grotere rol speelden. Vooral de internationaal opererende offshore sector deed het goed en genereerde enorme belastingopbrengsten voor het land. Tussen 1970 en 1995 bracht die sector zo’n 4,5 miljard gulden aan belastingrevenuen op. De MCB participeerde in deze sector met de MCB Trust Company en met AMACO NV.

Ook de MCB investeerde in de toeristenindustrie in de jaren zeventig en tachtig. Al in het vorige decennium had de MCB een belangrijk aandeel gehad in de komst van het Hazeleger hotel en het Hilton project. In de twee decennia die hierop volgden initieerde de MCB twee grote nieuwe projecten in het Hilton-gebied. De bouw van het International Trade Center (ITC) in 1984 en de bouw van een kwaliteitshotel direct naast het Hilton hotel en tegenover het ITC: het Sonesta hotel, waarvan de eerste plannen in 1989 werden gepresenteerd. In 1992 werd het project voltooid. Het hotel zou in 1999 overgaan naar de Marriott keten.

Rond de eeuwwisseling werd de economie van Curaçao drastisch gesaneerd. Door oplopende overheidstekorten was de Antilliaanse regering genoodzaakt de hulp van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) in te roepen en zette een strikt liberaal saneringsbeleid in. Daardoor kromp de economie. Bedrijven als de Antilliaanse Luchtvaart Maatschappij moesten sluiten, een groot deel van het ambtenarenapparaat werd verkleind. Het veroorzaakte een emigratiestroom naar vooral Nederland. Het bevolkingsaantal nam af. Na het staatkundig referendum van 2005 werd een nieuw traject ingeslagen dat leidde tot de vorming van het Land Curaçao en sanering van de overheidsschuld. Voor de MCB betekende dit in principe dat er in plaats van te beleggen in overheidsobligaties nu ruimte kwam om in nieuwe projecten te investeren. Hopelijk voor Curaçao dient zich weer een megaproject aan, zoals 100 jaar geleden, misschien weer op het zelfde terrein aan het Schottegat ?

Deze tekst mag alleen worden overgenomen met vermelding van de bron: Nationaal Archief Curacao

Balie eerste Bank / Jojo Alvares Correa / Morris Curiel